Lees het interview


Prof. dr. Ronald van Kempen en prof. dr. Piet Hoekstra waren in 2013 respectievelijk decaan en vice-decaan van de faculteit Geowetenschappen. Onderstaand interview verscheen in juli 2013 in Pandora.

‘Invasie van vrouwelijke hoogleraren bij Geo’, kopte DUB begin dit jaar. Met gericht stimulerend beleid was het Geowetenschappen gelukt om het aantal vrouwelijke hoogleraren te vergroten: van vier in 2011, naar zeven in 2012. Daarnaast mocht de faculteit via de reguliere weg prof. Ellen Moors en, in maart van dit jaar, prof. Caroline Slomp verwelkomen. Pandora sprak met Ronald van Kempen, decaan, en Piet Hoekstra, vice-decaan van Geo, over advertentieteksten, zaaigeld, en het Oranje Boekje. Van Kempen: “Ik hoop op een vliegwieleffect.”

Ronald van Kempen: “Jaren geleden hebben de toenmalige decaan van Geowetenschappen, Bert van der Zwaan, en ik een gesprek gehad met een aantal vrouwen dat bij ons werkzaam was. We probeerden te definiëren welke obstakels vrouwen tegenkwamen bij het opklimmen in de organisatie. Eén van de – voor mij – verrassende uitkomsten was, dat de advertentieteksten te sterk gericht waren op de evenbeelden van wat er al op de werkvloer rondliep. En dat waren – en zijn – toch voornamelijk mannen.
“Onder meer aan de hand van dat gesprek en de reflecties die daarop volgden, besloten we om het eens om te draaien en met het gewenste doel te beginnen: we willen een aantal goede vrouwen op hoogleraarniveau. De weg naar dat doel lieten we open. We stelden geen advertentietekst op; er was geen sprake van een functieomschrijving of gewenst profiel van de kandidaat. Zelfs de omvang in fte’s bleef onbepaald.
“Wel benaderden we mensen uit ons informele netwerk met de vraag, of zij ons konden voorzien van namen en cv’s van talentvolle vrouwen werkzaam binnen de Geowetenschappen. En, heel belangrijk: tegelijkertijd werd door het College van Bestuur ons verzoek gehonoreerd om onze reservegelden aan te kunnen spreken voor specifiek gericht beleid.”
Piet Hoekstra: “Onze oproep leverde zo’n 25 dossiers op uit zowel UU-gelederen als van buiten de Universiteit en uit het buitenland. Vervolgens werd een stevige commissie in het leven geroepen, die de kandidaten op hun hoogleraarwaardigheid moest beoordelen.”
Van Kempen: “Mij leek het overigens wel aardig om de commissie alleen uit vrouwen te laten bestaan, en dat is ook zo gebeurd. Niet iedereen was daar even blij mee. De uiteindelijke commissie werd gevormd door vrouwen van binnen en buiten de faculteit. Twee van hen hadden zitting gehad in het College voor Promoties; zij waren dus gepokt en gemazeld in het beoordelen van mogelijk professorabele kandidaten. Dat is naar mijn mening heel belangrijk geweest in de beeldvorming. Het gaat namelijk niet om het aanstellen van vrouwen omdat ze vrouwen zijn. Het gaat erom dat wij geld hebben om vrouwen aan te stellen, en dat wij in dat geval alleen de allerbesten kiezen.”

"Mij leek het wel aardig om de commissie alleen uit vrouwen te laten bestaan. Niet iedereen was daar even blij mee"

Maar eenmaal in het collectieve vizier, kan een bepaald beeld toch zeer hardnekkig zijn. Hoe reageert u op eventuele kritiek dat uw werkwijze een vorm van positieve discriminatie is?
Van Kempen: “Er is niets discriminerends aan dit traject. Ten eerste hadden we te maken met een enorme achterstand, iets waarvoor je je als faculteit wel zou mogen schamen. Ten tweede proberen we hoe dan ook de beste mensen aan ons te binden. In gesprekken die ik regelmatig met onze departementsvoorzitters voer, vraag ik altijd naar mogelijke kandidaten voor een hoogleraarschap. Man of vrouw; dat maakt niet uit. Het geld vanuit de beleidsruimte gaf ons net de extra mogelijkheid om ons nu eens specifiek op vrouwen te richten. Via andere wegen hebben zich ook goede mannelijke kandidaten aangediend, met als gevolg dat we ook recent weer een aantal mannelijke hoogleraren hebben aangesteld. Daarnaast hebben wij een duidelijk uitgesproken bevorderingsbeleid; de criteria voor promotie zijn vastgelegd in het Oranje Boekje. Dat overigens al heel lang niet meer oranje is, maar de eisen zijn onveranderd helder.”
Hoekstra: “Het is bij ons op de faculteit inmiddels een gevleugelde uitspraak: ’Ken je Oranje Boekje! Dan weet je hoe het hier werkt.’”

Het departement Aardwetenschappen heeft op hun site de man-vrouwverhoudingen bij het hoger wetenschappelijk personeel uitgesplitst. Wat opvalt is dat de verhouding PhD-studenten en postdocs nagenoeg gelijk is (respectievelijk 47/53 % en 53/47%), maar dat vanaf UD-niveau de man-vrouwverhouding 90/10 % is.
Van Kempen: “Laat ik voorop stellen dat deze cijfers niet alleen voor Aardwetenschappen, maar voor alle departementen gelden. De oorzaak van de scheve verhouding schuilt in diverse factoren op verschillende niveaus; een ingewikkeld verhaal dat niet zomaar in één klap verklaard kan worden.”
Hoekstra: “Er valt geen groot fenomeen aan te duiden als dé oorzaak. Uit onderzoek van GAIA (2003), het landelijk vrouwennetwerk van Aardwetenschappen, blijk dat het gaat om een accumulatie van allerlei kleine effecten waardoor het vrouwen blijkbaar niet lukt om tot de hogere regionen door te dringen. Dat maakt het probleem tamelijk ongrijpbaar, je hebt niet de handvatten om er veel aan te doen. Als je iets wilt doen, moet dat met gericht stimulerend beleid. In het middenkader zijn verhoudingsgewijs al weinig vrouwen aanwezig en de doorgroei is in die hoek zeer beperkt. Als bezuinigingen een vacaturestop afdwingen en je formatie vastzit, gebeurt er een tijdlang niets.”

Dat de ambitie bij vrouwen er is, blijkt al uit het feit dat u 25 reacties ontvangt op uw oproep. En dat terwijl zo veel vrouwen weg willen blijven van welke schijn van voorkeursbeleid dan ook, omdat zij beoordeeld willen worden op kwaliteit. De kink in de kabel kan niet enkel aan onbepaalde factoren in het middensegment worden toegewezen.
Van Kempen: “Het zou kunnen betekenen dat die vrouwen er wel zijn, maar niet bij ons. Een eng idee, maar wellicht met een kern van waarheid.”
Hoekstra: “Tussen de 25 dossiers die wij binnenkregen, zaten relatief weinig interne kandidaten. Het is overigens niet de eerste keer dat we een dergelijk bevorderingstraject uitzetten. In het verleden zijn er binnen onze departementen een paar goede vrouwelijke ud’s geïdentificeerd, met wie toen een soort loopbaantraject is afgesproken. Bij een aantal van hen heeft dat inderdaad geleid tot een uhd-benoeming.”

"Als iemand uhd1-waardig is, moet er geen enkele belemmering zijn die een doorgroei blokkeert"

Hoe gaat u de toekomst in?
Van Kempen: “Ik hoop dat de toename van het aantal vrouwelijke rolmodellen voor een vliegwieleffect zorgt.”
Hoekstra: “Streefcijfers zijn daarbij niet op papier gezet. Wel hebben we vorig jaar een notitie over talentbeleid geschreven voor al het wetenschappelijk personeel, van aio tot en met hoogleraar, om gerichte initiatieven te kunnen ontplooien om talent, mannelijk of vrouwelijk, binnen te kunnen halen en te kunnen behouden.”
Van Kempen: “Excellente studenten die hier afstuderen, kunnen van ons, als bestuur, geld krijgen om een voorstel te schrijven. Meestal betreft dit in dit stadium een NWO-aanvraag. Wij investeren in zogenaamd ‘zaaigeld’ en hopen op die manier mensen aan ons gebonden te houden. Ook anderen kunnen een beroep doen op dit zaaigeld.
Hoekstra: “Het is belangrijk dat mensen zichzelf‘vrij kunnen kopen’. Wie in het drukke onderwijsproces werkzaam is, heeft weinig tijd om een goede aanvraag te schrijven. Het zaaigeld kan dan worden benut om iemand in te huren, die tijdelijk het onderwijs deels overneemt. Op die manier creëer je als bestuur de ruimte voor je mensen om sterker te kunnen gaan staan in hun aanvraag.”
Van Kempen: “Recent hebben we ook besloten dat als iemand – man of vrouw - uhd1-waardig is, er geen enkele belemmering moet zijn die een doorgroei blokkeert. Vroeger zat er in het formatieplan een limiet aan het aantal uhd1-functies, maar sinds april dit jaar is dat plan bij ons opengegooid.”

Ik begreep dat het bestuur ooit het idee heeft opgevat om de bevordering van vrouwen te stimuleren door middel van een coachingstraject. De faculteitsraad vond dat in principe een goed idee, maar waarschuwde voor betutteling. Is dat plan tot uitvoering gekomen?
Van Kempen: “Er is geen algemene coach op onze faculteit. Het universitaire Mentoring- en Coachingstraject voorziet wat dat betreft al in een behoefte. Ikzelf ben daar ook bij betrokken geweest, ik vond het erg interessant om te horen hoe het binnen andere faculteiten gaat. Zoals gezegd beschikken wij over een duidelijk uitgesproken bevorderingsbeleid, maar het bleek al gauw dat niet binnen alle faculteiten duidelijk is hoe je bijvoorbeeld van ud naar uhd door kunt groeien. Ik vond het bijzonder boeiend om dat te horen, maar ook een beetje triest. Dat hoor je toch te kunnen wéten?”