Lees het redactioneel

Feit blijft dat wij, allemaal, veel bevooroordeelder zijn dan we (willen) denken

Een vriend van me werd onlangs geïnterviewd voor een lokaal televisiestation. De zender maakte een item over de wijk, en de voorzijde van zijn huis viel nogal op. Voor het raam hing een vergeelde poster van De Tegenpartij (“Geen gezeik, iedereen rijk”), in de vensterbank pronkten Bert en Ernie, tegen de voorgevel aan gestald stonden oude brommers. De verslaggeefster,benieuwd naar de persoon achter de voordeur met de intentie
om een luchtig item te maken, stuitte tot haar zichtbare verbazing op een bijzonder welbespraakt onderwerp dat met evenveel gemak zijn visie op de tijdloosheid van de politieke satire van Van Kooten en de Bie uit kon leggen als zijn voorkeur voor punkmuziek. Het leverde een verdiepend en verrassend portret op, vooral toen de vriend aan het einde van het item bijna terloops vertelde dat hij basisarts was, in opleiding tot psychiater. Voor velen een onverwachte achtergrond bij een bijzonder beeld.

Mark Uwland kan erover meepraten. Hij ervaart regelmatig dat mensen wat ongemakkelijk worden als hij zijn beroep noemt, een beroep met een vrouwelijke functietitel bovendien. Ook hier klopt het beeld voor veel mensen in eerste instantie niet met de inhoud. “Een man is geen secretaresse”, luidt niet voor niets de kop boven zijn artikel op pagina 23.

Nu zullen er genoeg lezers zijn die beargumenteren dat zij nauwelijks op hun eerste indrukken varen, maar feit blijft dat wij, allemaal, veel bevooroordeelder zijn dan we (willen) denken. De door ons hier herhaaldelijk aangehaalde Implicit Association Test (IAT) van Harvard University bewijst dat keer op keer. Stereotyperen is menselijk, maar je moet je er wel van bewust willen zijn dat het nu eenmaal gebeurt voor je er iets aan kunt veranderen. Hoe hard bijvoorbeeld televisiemakers ook roepen dat vrouwelijke experts heel moeilijk te strikken zijn voor hun actualiteitenprogramma: als ze een multivocale dialoog willen, zullen ze toch echt aan de bak moeten. Laura Mol, als programmamaker bij Studium Generale onder andere verantwoordelijk voor de samenstelling van de discussiepanels, heeft er wel een paar ideeën over (pagina 16).

Natuurlijk houdt het verhaal daar niet op - natuurlijk gaat diversiteit verder dan een evenredige(r) man-vrouwverdeling. Maar het begínt vaak wel met gender. En zolang kinderen zich een professor merendeels als man met grijs piekhaar voorstellen (pagina 12), Claudia de Breij als “halve man” de enige grappige vrouw wordt genoemd (pagina 16), en vrouwelijke hoogleraren de toga’s van hun mannelijke collega’s mogen opbergen, zoals de
enige vrouwelijke UU-decaan Annetje Ottow op pagina 4 weet te vertellen, valt er op het gebied van beeldvorming nog een hoop te winnen.